X
< Toon menu

Wat begrijpen kinderen van de dood?

Hoe kinderen aankijken tegen de dood, hangt af hun leeftijd en hoe ver ze zijn in hun ontwikkeling. De beschrijving per leeftijdsfase hieronder is een indicatie. Kinderen kunnen vroeger of later zijn vergeleken met de gemiddelde ontwikkeling.
 

Kinderen van 0-2 jaar

Baby’s en peuters hebben nog geen besef van de dood. Als iemand uit het gezin overlijdt, reageren ze met zoeken, huilen of verlatingsangst. Ook voelen ze het als anderen rouwen.
 

Kinderen van 2-5 jaar

Kinderen van 2-5 jaar begrijpen nog niet dat de dood voor altijd is. En dat iedereen ooit doodgaat. Alles leeft voor hen: hun knuffels, de wolken en stenen. “Moeten we papa nu niet limonade brengen, want hij heeft al heel lang niet gedronken?” is een heel normale vraag voor kinderen van die leeftijd  Peuters zien doodgaan vaak als slapen. Vanaf ongeveer 3 jaar kunnen kinderen begrijpen wat doodgaan betekent. Maar ze kunnen ook denken dat ze een dierbare weer levend kunnen maken.
 

Kinderen van 5-8 jaar

Kinderen van 5-8 jaar kunnen inmiddels klokkijken en begrijpen dan ook beter dat dood voor altijd is. Maar dat iedereen ooit doodgaat, beseffen ze meestal nog niet. Kinderen in deze leeftijdsfase zijn vaak gefascineerd door het menselijk lichaam. Ze willen precies weten wat er met het lichaam gebeurt als het begraven of gecremeerd wordt. (”Lopen er nu wormen door opa?”). In hun spel proberen ze te begrijpen wat dood zijn betekent.
 

Kinderen van 8-12 jaar

Kinderen van 8-12 jaar realiseren zich dat de dood voor altijd is. En dat iedereen ooit doodgaat. In deze leeftijdsfase worden kinderen steeds zelfstandiger. Ze denken vaak dat ze hun problemen zelf moeten oplossen. Dat maakt dat ze minder vertellen. Ze kunnen zich erg schuldig voelen of fantasieën hebben over schuld zonder dat iemand dat weet.
 

Kinderen van 12 jaar en ouder

Tieners realiseren zich dat de dood voor altijd is. En dat alles wat leeft, ook weer doodgaat. Ze kunnen nadenken over wel of geen leven na de dood, God en de hemel. Ook kunnen ze worstelen met levensvragen. De dood van een dierbare verwerken is voor hen ingewikkeld.

Kenmerkend voor de puberteit is het loskomen van de ouders. Leeftijdsgenoten en sociale contacten (buitenshuis) zijn belangrijk. Pubers willen niet anders zijn dan leeftijdsgenoten, maar voelen zich wel heel anders als een dierbare is overleden. Ze kunnen zich schuldig voelen over gedrag van vroeger, en over boze gedachten die ze hadden over de overledene.
 

Wat kunt u jonge kinderen vertellen over de dood?

Het is belangrijk om altijd de waarheid te vertellen. Over de dood zijn de volgende dingen uit te leggen:

  • Het lichaam doet het niet meer als je dood bent.
  • Ook al is iemand overleden, hij of zij blijft toch in je hart.
  • Alles wat leeft, sterft.
  • De dood is voor altijd.

Kleine kinderen hebben geen besef van tijd. Daardoor is het voor hen lastig te begrijpen dat dood voor altijd is en de overledene ook echt dood blijft. Toch is het belangrijk om te vertellen dat de dood niet meer stopt.